s.s.v.Ultrajectum

Nieuwegein

 

Militair Pistool


Banen en schijven

Pistool wordt alleen op vaste schijven verschoten. Het gebruik van een bewegende duelinstallatie
is verboden.

De volgende schietafstanden dienen gehandhaafd te worden behoudens de volgende
toegestane afwijking:
25-m baan : +/- 0,10 m
20-m baan : +/- 0,08 m
15-m baan : +/- 0,07 m

In een groep van twee of drie schijven moet de onderlinge afstand tussen het midden van de
schijven 75 cm (+/- 1 cm) bedragen.
Bij het knielend schieten dient er een mat voor de schutter aanwezig te zijn.
De schijf is 76 cm hoog
en 45 cm breed
. De schijf is zwart en heeft een ongeveer 1 cm brede witte rand.

De schijf is door middel van ongeveer 1 mm brede witte lijnen verdeeld in 5 zones.

De centrale zone (10 punten) wordt gevormd door twee verticale lijnen van 5 cm lang en 10 cm uit elkaar welke met elkaar verbonden zijn door twee halve cirkels met een straal van 5 cm. De centrale zone is dus 10 cm breed en 15 cm hoog.

De zones met telling 9 tot 6 zijn soortgelijk gevormd. Hun breedte wordt steeds vermeerderd met 10 cm (5 cm aan elke zijde) en hun hoogte wordt steeds vermeerderd met 15 cm (7,5 cm aan elke zijde).

De verticale lijnen die de zijdelingse begrenzing vormen van de zones worden telkens 5 cm langer en de middelpunten van de halve cirkels schuiven steeds extra 2,5 cm op.

Het middelpunt van de 10-zone ligt op 37,5 cm onder het hoogste punt van de 6-ring.

Op de afmeting van de 10-zone is een tolerantie van +/- 0,5 mm en op de andere zones een tolerantie van +/- 1 mm toegestaan. De zones worden gemeten vanaf de buitenzijde van de witte scheidingslijnen.

De zones zijn gemerkt met cijfers welke overeenstemmen met hun waarde (9, 8, 7, 6). Deze cijfers zijn geplaatst op ieder van de vier onderlinge loodrechte horizontale en verticale richtingen. De cijfers dienen 30 mm hoog en 15 mm breed te zijn, terwijl de lijndikte ervan ongeveer 2 mm bedraagt. De 10-zone is niet genummerd.

Uitrusting en munitie

Een ieder die zich op de schietbaan bevindt, is verplicht tijdens het schieten oogbescherming te dragen. Voor brildragende geldt een gewone bril als oogbescherming. Het dragen van een speciale schietbril is de schutter niet toegestaan.

Elk pistool of iedere revolver met een kaliber van 7,62 t/m 11,66 mm (.30 - .459)(centraalvuur), overeenstemmende met de bepalingen in artikel 4.1 t/m 4.2.2 en voldoende aan de volgende specificaties:

Mantelmunitie is toegestaan, mits het baanveiligheids-reglement dit veroorlooft.
Mondingsremmen of andere soortgelijk werkende middelen zijn niet toegestaan.
Balanceer- en loopgewichten,even als alle losse hulpmiddelen zoals trekkerschoen - al dan niet verbreed -, verbrede hamer e.d. zijn niet toegestaan.
De korrel mag niet voor de loopmonding zijn aangebracht en de keep mag niet zijn aangebracht achter het meest naar achter liggende gedeelte van het mechanisme van het wapen.
De trekkerdruk moet minstens 1360 gram bedragen (zie BTR pistool artikel 4. 1.1 1).
De greep mag niet verstelbaar zijn en een vaste of verstelbare palmsteun is niet toegestaan.
De greep mag niet breder zijn dan 44 mm.
Het achterste deel van de greep dat rust op de bovenkant van de hand tussen duim en wijsvinger mag niet langer zijn dan 30 mm. De afstand wordt gemeten vanaf de rechte hoek op de verlengde hartlijn van de loop tussen de punten A en B van de afbeelding behorend bij artikel 8.16.0 ISSF Pistol Rules.
Pistolen mogen niet uitsluitend ingericht zijn voor het verschieten van wadcuttermunitie.
Het gebruik van een hulzenvanger is niet toegestaan.

Specifieke regels voor Militair Pistool

Het onderdeel bestaat uit 24 wedstrijdschoten en is verdeeld in 4 oefeningen van 6 schoten.

De eerste oefening bestaat uit een precisieserie van 6 schoten op 1 schijf, afstand 25 meter
in 3 minuten in de staande houding.
De tweede oefening bestaat uit een snelvuurserie van 6 schoten op 1 schijf, afstand 20 meter
in 15 seconden in de staande houding.
De derde oefening bestaat uit een snelvuurserie met vuurverdelen van 6 schoten op 2 schijven,
afstand 20 meter in 12 seconden in de knielende houding (max. 3 schoten per schijf).
De vierde oefening bestaat uit vuurverdelen van 6 schoten op 3 schijven, afstand 15 meter
in 9 seconden in de staande houding (max. 2 schoten per schijf).

Voordat de wedstrijd begint, mogen 6 proefschoten worden afgevuurd in 3 minuten (als oefening 1).
De baancommandant noemt de serietijd. Na het commando "LADEN" moet de baancommandant de schutters voldoende tijd geven om zich voor te bereiden. Wanneer hij van mening is dat de schutters gereed zijn met hun voorbereidingen vraagt hij: "ZIJN DE SCHUTTERS GEREED ?".
Op deze vraag, met uitzondering in de eerste oefening, moet de "VAARDIGHOUDING" worden aangenomen of een schutter moet te kennen geven "NIET GEREED" te zijn.
Gebeurt dit niet binnen 3 seconden dan begint de oefening. Als een schutter binnen 3 seconden zich "NIET GEREED" meldt, dan wacht de baancommandant 15 seconden en vraagt opnieuw: "ZIJN DE SCHUTTERS GEREED" en start vervolgens de oefening.

Een oefening wordt geacht te zijn begonnen op het commando "VUUR"
(of door middel van een KORT FLUITSIGNAAL). Elk schot hierna afgevuurd, telt mee in de wedstrijd.

Knielend:
De schutter knielt op de knie aan dezelfde zijde als de hand waarmee het wapen wordt vastgehouden en afgevuurd, of de schutter knielt op de knie aan de andere zijde als de hand waarmee het wapen wordt vastgehouden en afgevuurd, waarbij het lichaam (beide schouders) één lijn moeten vormen met de schiet-as. Voor beide houdingen gelden de volgende aanvullingen: De schiethand en -arm dienen geheel vrij naar voren te worden gehouden in de richting van de schijf. Hierbij mag men zodanig zitten dat een deel van het zitvlak op de hiel rust. Het gebruik van een knielkussen is verboden.

Vaardighouding
Bij de gedeelten 2- 3 en 4 van het onderdeel Militair Pistool begint het schieten vanuit de "VAARDIGHOUDING". In deze houding wacht de schutter op het commando "VUUR"
(of op het KORTE fluitsignaal). De tijd eindigt met een fluitsignaal.
Dit fluitsignaal vangt aan 2 seconden "VOOR" en eindigt "OP" het einde van de toegestane tijd.
Tijdens het fluitsignaal mag er nog gevuurd worden.

Storingen

De schutter moet 6 schoten afvuren in elke herhalingsserie. De 6 laagste treffers tellen voor de serie. Niet afgevuurde schoten en schoten die in de herhalingsserie de schijf niet raken,
worden als missers beschouwd.
Het herhalen van een serie naar aanleiding van een storing is toegestaan:
a) Tweemaal in de gedeelten 1 en 2 samen, en:
b) Tweemaal in de gedeelten 3 en 4.
Als na 2 storingen in een gedeelte van de wedstrijd weer een storing optreedt, worden alleen de werkelijke afgevuurde schoten genoteerd voor de schutter. De serie mag niet worden herhaald en de niet afgevuurde schoten worden gewaardeerd als missers. De schutter mag de wedstrijd verder vervolgen.